Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF4754

Datum uitspraak2003-02-19
Datum gepubliceerd2003-02-19
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200205166/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200205166/1. Datum uitspraak: 19 februari 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank te Leeuwarden van 10 september 2002 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 november 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Franekeradeel (hierna: het college) een verzoek van appellante om toestemming voor het gebruik van een gedeelte van de Kingmatille te Zweins ter verbetering van de toegang tot haar perceel en een verzoek om tegen het gebruik dat de bewoners van [locatie] van dit weggedeelte maken op te treden afgewezen. Bij besluit van 27 maart 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond. Bij uitspraak van 10 september 2002, verzonden op 11 september 2002, heeft de rechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voorzover het betrekking heeft op het uitblijven van een beslissing op bezwaar en voor het overige ongegrond. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 31 oktober 2002 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2002, waar partijen niet zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Niet in geschil is dat het college op 15 juni 2001 alsnog aan de bezwaren van appellante tegemoet is gekomen. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet op haar verzoek om vergoeding van de door haar als gevolg van het tot die dag niet kunnen gebruiken van haar perceel ondervonden schade heeft beslist. 2.2. Appellante heeft niet voldoende gesteld om aan te nemen dat van schade die voor vergoeding in aanmerking kan komen sprake is. Zij heeft slechts gesteld dat zij hinder heeft ondervonden als gevolg van de beperkte toegang tot haar perceel. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat met het hoger beroep enig belang is gemoeid. 2.3. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Matulewicz Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2003 383.